‘Wat eten we vanavond?’ Ik had nog geen idee en dacht aan mijn moeder en hoe ze dan op zondagavond tot ons grote genoegen zo nu en dan antwoordde: ‘Dirk kookt vanavond.’ Wat inhield dat we patat zouden halen bij de dichtstbijzijnde snackbar, ongeveer vijfhonderd meter lopen van ons huis.
Continue reading »
Woensdagavond. Buiten is het koud en guur. Binnen is het niet veel beter. Ik zit aan de bar. Links van me zit een groot hoofd. Hij rolt een zware Van Nelle. Ik werp een blik naar z’n onderstel en kom tot de conclusie dat z’n benen ophouden waar mijn knieën beginnen. Een dwerg. Aan mijn rechterzijde zit een bekende. Hij lijdt aan paranoia. Hij vraagt me of ik die kerel op de hoek ergens van ken. Continue reading »
Kauwend op een stukje chocola kwam ik het kantoor binnenwandelen. Collega T. wierp meteen een vraag voor mijn kiezen: ‘Hoe zou jij tompouce schrijven?’
De extra mini-toblerone die ik voor later wilde bewaren en in mijn hand had, propte ik snel in mijn broekzak. Blij dat de snoeppot bij de collega’s een deur verder weer was gevuld. Met de chocola nog tussen mijn tanden begon ik te spellen: ‘T, O, M, P, O, U, C, E.’ Continue reading »
‘Wat kijk je sip’, zeg ik tegen R. Ze zit aan tafel met haar armen over elkaar en kijkt boos naar het vel papier voor zich. Haar kleurpotloden liggen ernaast. Weggesmeten.
De houten eitjes, haasjes en kuikentjes van de paastakken bungelen als nieuwsgierige toeschouwers boven de tekening. Of eerder als pastelkleurige ramptoeristjes, gezien de ernst op het gezicht van R. Continue reading »
Het duurde nog weken voordat het zover was, maar achter de opgestapelde winkelmandjes bij de kassa was het al volop Pasen. Er lagen paasschuimpjes, eitjes met vulling, eitjes zonder vulling, holle eitjes, praline eitjes. Chocoladepaashazen stonden in nette rijtjes de winkel in te glimmen in hun gekleurde folies. Het was maandagochtend en druk in de supermarkt. Continue reading »
Het is winter, 2010. Die avond eet ik bij mijn oma in haar aanleunappartement voor senioren. We zitten aan de houten eettafel bij het keukenblokje achterin de woonkamer. Mijn oma heeft de tafel schuin gezet, zodat we allebei uit het raam kunnen kijken. Buiten is het donker en ik zie vooral de lamp die boven de tafel hangt, weerspiegeld in het glas. We zwijgen. De klok tikt. Op onze borden liggen resten boerenkool en jus. Dan zegt mijn oma: ‘Vroeger vond ik je altijd een turkie. Altijd maar in het zwart. Waarom moet het nou altijd zwart zijn?’ Continue reading »
‘Ze liggen er weer. Snel, nu zijn ze nog warm.’ Glunderend kwam collega D. het kantoor binnenlopen. Hij zwaaide met een versgebakken koek uit de kantine in zijn handen.
Ik keek naar het lekkers vanachter mijn computer. Het water liep me in de mond.
‘Jij kan het hebben, want jij bent vast 3 kilo afgevallen toen je ziek was’, zei ik terwijl ik de gevulde koek probeerde te negeren. Maar voordat D. weer achter zijn bureau plaatsnam, haalde hij het nog even voor mijn neus langs. Ik rook de amandelspijs. D. keek er triomfantelijk bij. Continue reading »
Nu nog voordeliger. 1 + 1 gratis, 2 + 2 gratis. Topmerken voor de laagste prijs. Als beste getest. Superrrr voordeel… Ik veegde met mijn vinger langs de aanbiedingen van het Kruidvat op de iPad. Het felle rood van de drogisterijketen stond in schril contrast met de grijze lucht van buiten. S. en ik zaten op de bank. We keken allebei naar ons eigen schermpje. Continue reading »
Je kent ze, echt’, zei ik tegen C. in de rij voor de deur van Paradiso.
‘Leftfield?’ C. had er nog nooit van gehoord.
‘Je hebt ze live gezien op het Drum Rhythm Festival toen sigarettenmerken nog gewoon mochten sponsoren.’ C. kon het zich niet herinneren.
Er mocht inmiddels wel meer niet. Zoals roken in Paradiso, maar daar waren we mee gestopt. Na de geboorte van kind nummer 2 was ik sowieso met alles gestopt waar ik me in de tijd van door tabaksindustrie gesponsorde festivals mee bezighield.
Continue reading »
‘Zeg eens Kaas.’
‘Kaas.’
Zeg eens Ka.’
‘Ka.’
‘Zeg eens Mer.’
‘Mer.’ Continue reading »
